Lezingen

Donderdag 30 september 2021
‘s-Hertogenbosch in de Eerste Wereldoorlog 

Tom Sas, docent geschiedenis ds. Pierson College en historicus:

Tom tikt Hendrikje aan in lezing over Den Bosch tijdens WOI

Hendrik Pierson, we kennen hem niet persoonlijk. Maar bij de eerste lezing in het kader van Pierson 100 (Maand van de Geschiedenis) weten we meer. Meer over wat Den Bosch beroerde ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. En daardoor ook meer over wat ds. Hendrik Pierson beroerde in de aanloop naar 1921, het jaar van de oprichting van ‘onze’ Pierson.

Hendrik Pierson moet hebben meegekregen wat er binnen en buiten de vestingmuren gebeurde. Inkwartiering van enkele duizenden militairen bijvoorbeeld. Maar ook de opvang van Belgische burgers, op de vlucht geslagen voor geweld en verschrikkingen in eigen land. Een herdenkingssteen op het stadhuis getuigt daar stilletjes van. En misschien moest Pierson ‘dealen’ met een tekort aan onderwijzend personeel op de protestants lagere school (die al vanaf 1913 een feit was). Reden: de mobilisatie van mannen voor het Nederlandse leger. En zeker had Pierson te maken met de Spaanse Griep die aan het einde van de oorlog, ook in Den Bosch, de nodige slachtoffers eiste. De adviezen die destijds van overheidswege aan burgers werden gegeven, laten de nodige parallellen zien met de coronaperiode nu.

In een sprankelende lezing op 30 september nam collega Tom Sas ons mee in de periode 1914-1918. 

Jaren waarin in The Great War een van de dodelijkste conflicten uit de geschiedenis is uitgevochten. ‘We’ bleven neutraal; er waren geen gevechtshandelingen op Nederlandse bodem. Maar voelbaar en zichtbaar was de oorlog zeker, ook in een stad als Den Bosch.

Tom Sas sprak met het aanstekelijke enthousiasme dat we van hem kennen. Een praatje en een plaatje dat boeit, onze tijd spiegelt aan het verleden en vice versa. Hendrikjes jubelende armpjes en de brede lach begrijp ik wel: Pierson 100, dat is leuk en betekenisvol.

De bezoekers waren een mooie mix van (oud)collega’s, (oud)leerlingen, ouders en geïnteresseerden voor de WOI.

Tom bedankt!

Woensdag 6 oktober 2021
Met witte bussen naar de vrijheid 

Arie Wolfert, oud-docent geschiedenis en historicus:

Met witte bussen naar de vrijheid

Arie Wolfert, tot 2006 docent geschiedenis aan onze school, nam de belangstellenden in de collegezaal mee in een historisch verhaal over een bijzonder reddingsplan in WOII. Arie voerde na zijn pensionering zelf het onderzoek uit, waarin zijn fascinaties voor de Tweede Wereldoorlog en Scandinavië samen kwamen. Het onderzoek begon bij Sven Oftedal, een Noor die in kamp Vught terecht was gekomen. Hoe kwam deze man hier terecht en hoe is hij weer teruggekeerd naar Noorwegen? 

Allereerst werd het publiek getrakteerd op een brede schets van de situatie in WOII in Denemarken, Noorwegen en Zweden: de schending van de neutraliteit van Noorwegen door de Duitsers, het veroveren van Denemarken door Duitsland en het kenteren van de welwillende opstelling van de Zweden ten opzichte van de Nazi’s, leidde ertoe dat de drie landen op één lijn zaten. Tijdens de gruwelijke jaren die volgden werden Noren en Zweden die zich verzetten, of tot ongewenste groepen behoorden, gevangen genomen en gedeporteerd naar verschillende concentratiekampen. 

 Toen eind 1944 duidelijk werd dat de Duitse positie zwak werd gingen hoge Duitse officieren anderen verbonden en uitwegen zoeken. In deze turbulente en chaotische periode werd door SS-leider Himmler oogluikend toegestaan, dat Deense en Noorse gevangenen uit hun kampen werden teruggehaald. Op 8 maart 1945 ging de eerste colonne bussen op weg. Als herkenning c.q. bescherming tegen bombardementen werden ze wit geverfd. Op deze wijze werden ongeveer 15.000 gevangen opgehaald uit diverse kampen. Het ging hier voornamelijk om Denen en Noren maar ook gevangen met een andere, waaronder de Nederlandse, nationaliteit.  

Na de pauze zoomt Arie, ademloos gevolgd door het publiek, in op het persoonlijke verhaal van Sven Oftedal. Oftedal, arts en politicus, wordt door zijn verzet tegen de Duitsers opgepakt en uiteindelijk gedwongen om in kamp Vught als arts te werken. Bij de ontruiming van kamp Vught in september 1944 komt hij via Sachsenhausen met de witte bussen in Zweden aan. Oftedal wordt na de oorlog, als minister, de architect van de Noorse welvaartsstaat. 

Dinsdag 12 oktober 2021
De Nederlandse identiteit(en)

Herman Pleij, emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde: 

D’n zotte Brabander!

Een gemêleerd gezelschap verzamelt zich in de aula: docenten en medewerkers, oud-docenten, leerlingen, ouders en andere belangstellenden. Tom Sas opent de lezing in het kader van Pierson 100 en de ‘Maand van de Geschiedenis’. Hij introduceert Herman Pleij, emeritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde, die ons vanavond op humoristische wijze vertelt over de Nederlandse identiteit(en) in zijn algemeenheid en de Brabantse identiteit in het bijzonder. Pleij start met: “De introductie klopt helemaal, dat is zeker niet altijd zo!” Dat zet de toon voor de avond. Hij geeft aan dat vragen stellen tijdens de lezing mag, maar dat hij steevast antwoordt met: “Daar wilde ik nét over vertellen.” Tijdens de lezing stelt hij zichzelf al vragen waar hij dan ook meteen ‘briljant antwoord’ op geeft.

Zotte Brabanders?
De ongeschreven ondertitel van de lezing is ‘Zotte Brabanders?’ Bestaat er zoiets als een Brabantse identiteit? De lezing begint in de vroege en midden middeleeuwen in het Hertogdom Brabant met Willem van Oranje en zijn goede vriend Marnix van Aldegonde, beiden streng Calvinist, maar met hetzelfde ‘probleem’: zij hielden van dansen, feesten en muziek. Het verhaal gaat dat er een bruiloft was waarvoor beide heren uitgenodigd waren, maar waar het dansen afgeschaft was om hen, als goed geaard Calvinist, niet voor het hoofd te stoten. De mannen waren echter woedend. De uitspraak van Marnix was: “Ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal een zotte Brabander.”

 Carnaval speelde ook in die tijd een grote rol, oftewel het feest van de zotten. Even ontsnappen uit de bestaande orde om er vervolgens weer een jaar tegenaan te kunnen. Voor koningen en hoogwaardigheidsbekleders was het belangrijk om een zot in dienst te hebben, soms een acteur die zot speelde, maar vaak ook iemand met een geestelijke stoornis. Iemand die altijd de waarheid sprak, soms onverstaanbaar was en waarvan de koning kon zeggen: “Zie je wel, hij is het met me eens.” De zot stond lijnrecht tegenover de wetenschap, de advocatuur en geleerden, want kennis werd in die tijd geassocieerd met de duivel. ‘Zotte Brabander’ was een eretitel; iemand met gezond verstand. Pleij denkt dat het misschien goed zou zijn als ook koning Willem Alexander een zot in dienst zou nemen…

De Nederlandse identiteit
Waar komt de behoefte aan een identiteit uit voort? Mensen zijn kuddedieren, maar hebben tegelijkertijd een sterke drang naar een eigen identiteit binnen een groepering. Nederlanders staan in de wereld te boek als gierig, altijd het onderste uit de kan willen. Getuige alle Engelse uitspraken waar het woordje Dutch in voorkomt: Dutching the food (voedsel onder ultraviolette lamp plaatsen zodat het langer houdbaar is), Dutch crossing (schuin de weg oversteken is tijdwinst), Dutch treat (ieder betaalt zijn eigen eten) en zo noemt Pleij er nog een aantal. 

Een zelfbeeld van een groepering is daarentegen altijd positief, met andere woorden: wij vertalen ‘gierigheid’ naar zuinigheid, jezelf kunnen bedruipen, zelfredzaamheid. Dit komt voort uit ons koopmanschap in de middeleeuwen, want als je moet werken voor je bestaan, dan moet je ervoor zorgen dat je jezelf redt. De andere eigenschap waarom wij bekend staan, is tolerantie. Ook dit komt voort uit koopmanschap: als je handel wil drijven, moet je tolerant zijn. Zonder tolerantie geen winst. Onafhankelijkheid is de kern van de Nederlandse identiteit.

In het verlengde van de identiteit, ligt het superioriteitsgevoel. Je beroepen op bepaalde (superieure) eigenschappen en daardoor anderen/andere groeperingen uitsluiten. Dat was niet alleen in de middeleeuwen het geval, maar is ook nu zeer actueel. Het populisme steekt de kop op; de Brexit (‘Good old England’) en het ‘America first’ van Trump, zijn daarvan goede voorbeelden. 

Positief nationalisme is wel aanwezig maar wordt tegenwoordig dikwijls ondergesneeuwd. De Nederlandse verzorgingsstaat heeft als kern solidariteit en verbondenheid. Als je onze zorgverzekering vergelijkt met die van de Verenigde staten, dan mogen wij trots zijn op het systeem dat we hebben. Iedereen is verzekerd en kan dat (min of meer zelf) betalen. 

Gelijkwaardigheid/geen hiërarchie komt ook in de carnavalsviering duidelijk naar voren: iedereen is gelijk, iedereen draagt een boerenkiel. En tóch: tussen carnaval in Brabant en Limburg zit een groot verschil. De eigenheid werd meteen weer ingevoerd, waardoor er verschillende groeperingen ontstaan.

Vroeger was men protestant, katholiek of socialist, maar na de relatief snelle ontzuiling van onze maatschappij is de drang naar houvast en rituelen groot. De kerk wordt nu gezien als vredesinstituut en het gaat niet meer uitsluitend over het hiernamaals, maar juist over het hier en nu. Mensen willen weten wie ze zijn en zoeken dit in de ik-geschiedenis. De centrale vraag is: Hoe komt het dat ik ben wie ik ben?

Conclusie
De conclusie kan niet anders zijn dan: dé Nederlandse of Brabantse identiteit bestaat niet (Maxima had toch gelijk met haar omstreden uitspraak in 2007!). Herman Pleij is een begenadigd spreker, vol passie en humor. En ook met een zeker relativisme.

Zoals eerder gemeld: ‘Zotte Brabander’ is een eretitel en die mogen we met trots dragen. Herman Pleij eindigt zijn lezing met de uitspraak van Erasmus op zijn sterfbed: “Ach lieve God, was ik maar in Brabant!”


Pierson geschiedenisquiz

Een van de activiteiten die tijdens de Maand van de geschiedenis op het programma stond was de Pierson 100 geschiedenisquiz. Een pittige voorronde moest duidelijk maken welke leerlingen en collega´s met elkaar de degens zouden mogen kruisen tijdens de finale.

Ruim 100 leerlingen en 20 collega´s durfden het aan om zich aan de voorronde te wagen. Nadat de inlevertermijn was verstreken bogen de docenten geschiedenis zich over de gegeven antwoorden. Een select gezelschap van 16 leerlingen en 4 collega´s kon zich vervolgens op gaan maken voor een zinderende finale.

Op donderdagmiddag 21 oktober was het zover. De aula was omgetoverd in een pubquiz-arena waarbij onder toeziend oog van een deskundige jury – bestaande uit docenten geschiedenis Linders, Schellinger, Van den broek en Helmes – de kandidaten de strijd met elkaar aangingen.

De presentatie was in handen van docenten geschiedenis Heinsman en Sas die de deelnemers in vijf ronden lang aan de tand voelden. Terwijl de bitterballen rijkelijk rond gingen ontvouwde zich een bloedstollende finale die door een aandachtig publiek van medeleerlingen, ouders en collega´s werd gadegeslagen. En dat niet alleen: ook onder de toeschouwers werd fanatiek mee gespeeld!

Halverwege de strijd leek het docententeam bestaan uit de combinatie Lemmens-Lerou-Blankers-Koopmans de winst niet meer uit de handen te kunnen laten glippen, maar een ijzersterke comeback van team 5, bestaande uit Jens, Tuyl en Brent maakte dat het tot het laatste moment spannend bleef wie de winnaar zou zijn. Na het tellen van de scores en wijs juryberaad kwamen Jens, Tuyl en Brent als terechte winnaars uit de bus en mochten zij zich kronen tot de geschiedenis kenners van 100 jaar Pierson! Al met al een mooie afsluiting van de Maand van de Geschiedenis.